Het is ten tijde van schrijven ruim een maand geleden sinds ik, in het kader van het traineeship internal audit van AuditPeople, begonnen ben bij de project-auditfunctie van de gemeente Rotterdam. Tot mijn genoegen heb ik al vrij snel na mijn start twee zeer interessante en zeer uiteenlopende projecten toegewezen gekregen, welke geaudit moesten gaan worden. Na mijzelf een aantal dagen te hebben ingevreten in allerhande relevante documentatie, begon het eerlijk gezegd toch wel wat te kriebelen. Het afnemen van interviews (met projectbetrokkenen) leek mij op voorhand namelijk verreweg het leukste onderdeel van het vak.

In de afgelopen weken heb ik (uiteraard tezamen met andere leden van het auditteam) de eerste interviews mogen afnemen, waardoor ik nu kan beamen dat mijn initiële gevoel juist was: Interviews zijn inderdaad leuk!

Na mijn meest recent afgenomen interview, op de weg terug naar mijn werkplek, dacht ik plots aan de methodologische aspecten van interviews. Alle interviews die ik tot nu toe heb afgenomen, waren face-to-face. Ik betrapte mijzelf op de gedachte dat ik dat eigenlijk niet meer dan normaal vond: Zo hoort het. Maar zijn er, kijkend naar de communicatietechnologieën waar we heden ten dage over beschikken, andere interviewmodes die gedegen substituten vormen voor- of (in sommige gevallen) zelfs een verbetering ten opzichte van het “klassieke” face-to-face interview?

Een korte zoektocht op Google Scholar bracht mij bij een artikel van Shannon M. Oltmann, verbonden aan de universiteit van Kentucky, uit 2016. Zij constateert dat in de grote meerderheid van de werken over interviewmethodiek wordt gesteld dat interviews face-to-face zouden moeten worden afgenomen, of dat er simpelweg van wordt uitgegaan dat dit gebeurt. Maar zijn er ook andere keuzemogelijkheden?

Laten we eens stilstaan bij mogelijke uitgangspunten voor audit interviews. Bij het bekijken van een aantal richtlijnen en handleidingen van uiteenlopende organisaties betreffende audit-interviews komt eenzelfde beeld naar voren. In een aantal richtlijnen en handleidingen wordt het bestaan van andersoortige interviewmethodieken weliswaar bevestigd, maar richt men zich desondanks toch enkel op de face-to-face situatie. Een voorbeeld hiervan betreft de “Guidelines on audit interview” van de European Court of Auditors, waarin zelfs letterlijk het volgende staat: “An interview can either be face to face or remote. […]. This guideline focuses on a face-to-face interview situation” (p.2). Een voorbeeld van een handleiding of richtlijn waarin men er simpelweg vanuit gaat (of lijkt te gaan) dat interviews face-to-face geschieden, betreft de “Internal audit manual” van het ministerie van Financiën van Macedonië. Vraag me overigens niet hoe ik bij deze handleiding ben gekomen.

Het eerder genoemde artikel van Oltmann (2016), genaamd “Qualitative interviews: A methodological discussion of the interviewer and respondent contexts”, beschrijft meer dan alleen het face-to-face interview.  Het focust zich voornamelijk op de afweging tussen “klassieke” face-to-face interviews en telefoon-interviews. In de afgelopen drie decennia is telefonisch interviewen steeds gebruikelijker geworden. Oltmann stelt dat er wel wat bestaande literatuur is waarin expliciet wordt ingegaan op de redenen voor het kiezen van telefoon-interviews (zie o.a. Holt, 2010 en Vogl, 2013). Er bestaan zelfs papers die specifiek betrekking hebben op de keuzes of afwegingen tussen face-to-face interviews en telefoon-interviews (zie o.a. Lechuga, 2012). Echter, zo stelt Oltmann, is er weinig structuur in de(ze) discussie: “Researchers tend to consider a few advantages or disadvantages, without a unifying perspective, focusing only on the few elements that were relevant to their research” (p.2).

Om die reden presenteert Oltmann in haar artikel een alomvattend framework/kader, waarmee de voor- en nadelen van beide interviewmodi in kaart kunnen worden gebracht, en een zorgvuldige keuze kan worden gemaakt. Daarbij moeten zowel de context van de interviewer als de context van de respondent in ogenschouw worden genomen. In een tweetal paragrafen bespreekt Oltmann de componenten van beide contexten in relatie tot beide interviewmodi. De twee paragrafen worden afgesloten met een samenvattende tabel, welke hieronder (vertaald) staan weergegeven.

Interviewer context

Respondent context

Voor een gedetailleerde uitleg van beide schema’s moet ik u verwijzen naar het artikel zelf, welke overigens kosteloos via internet inzichtelijk is. Wat mij het meest opviel is dat veel onderzoeken uitwijzen dat telefoon-interviews geschikter zijn voor het behandelen van gevoelige of controversiële onderwerpen dan face-to-face interviews (zie pagina 4 en 5). Iets wat ik op voorhand niet had verwacht.

Ik realiseer mij maar al te goed dat t.a.v. (de keuze van) de interviewmodus bij audits niet alle componenten/elementen (altijd) even relevant zijn. Oltmann geeft in het afsluitende deel van haar paper ook nadrukkelijk te kennen dat onderzoekers voor dié interviewmodus moeten kiezen die het meest geschikt en nuttig is voor hun object van onderzoek, gebaseerd op de contextuele componenten die het meest relevant zijn.

Het voornaamste doel van deze blog is, naast het wijzen op het bestaan van het artikel van Oltmann en het reminden van het bestaan van andere interviewmodi dan het klassieke face-to-face-concept, toch wel het uitlokken van discussie. Maak jij bij het uitvoeren van audits wel eens gebruik van een “andersoortige” interviewmodus, bijvoorbeeld van telefoon-interviews? En waarom dan? Zijn er, naast die die door Oltmann worden genoemd, nog andere contextuele componenten die (in het bijzonder) bij audits in ogenschouw genomen zouden moeten worden? En kan “een Skype-interview” eventueel de ideale tussenweg van het klassieke face-to-face interview en telefonisch interviewen vormen? Of heeft ook dat (aantoonbare) nadelen? Ik hoor het graag!

Auteur: Myron Scheper. Myron is werkzaam als audit trainee bij AuditPeople, en voert momenteel internal audits uit bij de Dienst Stadsontwikkeling (SO) van de gemeente Rotterdam.